Wat ik tegen mijn innerlijke kind zou zeggen
In mijn werk als maatschappelijk werker stel ik soms een ogenschijnlijk eenvoudige vraag:
Wat zou je nu tegen je innerlijke kind zeggen?
Die vraag raakt mensen vaak onverwacht diep. Niet omdat we letterlijk terug kunnen naar vroeger, maar omdat ervaringen uit onze kindertijd nog altijd doorwerken in hoe we kijken, voelen en reageren.
Binnen het contextuele gedachtegoed, ontwikkeld door Ivan Boszormenyi-Nagy, wordt de mens niet los gezien van zijn geschiedenis en relaties. We worden gevormd in verbinding. In loyaliteiten, verwachtingen, rechtvaardigheid en erkenning. Wat we als kind meemaken, krijgt betekenis in hoe we later in het leven staan.
Het kind in ons verdwijnt namelijk niet. Het groeit mee.
Niet als een afzonderlijk deel, maar als een laag van ervaringen, overtuigingen en gevoeligheden die nog altijd invloed hebben. Hoe we onszelf zien. Hoe we anderen vertrouwen. Hoe veilig of onzeker de wereld soms voelt.
Vanuit contextueel perspectief is dat logisch. Onze vroege relaties vormen een innerlijk referentiekader. Wat we daar leren over vertrouwen, veiligheid en erkenning, nemen we onbewust mee.
Misschien is dat ook waarom de vraag zo krachtig is:
Wat zou je nu tegen je innerlijke kind zeggen?
Niet om het verleden te corrigeren, maar om met mildheid terug te kijken. Om woorden te geven aan iets wat toen misschien ontbrak.
Als ik die vraag aan mezelf stel, komt er eigenlijk één zin naar boven: Dat ik meer op mezelf had mogen vertrouwen.
En misschien nog specifieker: dat ik meer had mogen vertrouwen op mijn gevoel. Op mijn waarneming. Op mijn geur.
Mijn reukzin is altijd sterk ontwikkeld geweest. Geuren vertellen mij veel. Over sfeer, over spanning, over mensen, over situaties. Nog steeds ervaar ik hoe een ruimte of ontmoeting via geur iets kan laten voelen wat lastig in woorden te vangen is.
Als kind twijfelde ik daar vaak aan. Ik legde mijn gevoel naast me neer, omdat verwachtingen of sociale context soms sterker leken. Achteraf zie ik hoe juist dat twijfelen maakte dat ik soms in situaties bleef waarin iets eigenlijk al niet goed voelde.
Het is bijzonder hoe we als volwassenen vaak opnieuw moeten leren vertrouwen op iets wat als kind al aanwezig was. Intuïtie, gevoeligheid, aanvoelen. Eigenschappen die gemakkelijk worden overschaduwd, maar zelden verdwijnen.
Misschien is dat ook de zachtere kant van deze vraag.
Dat we ons innerlijke kind niet alleen iets hoeven te leren, maar ook iets kunnen teruggeven; erkenning, vertrouwen, mildheid.
En soms simpelweg de geruststelling dat wat je voelde, zag of wist, er mocht zijn.
Misschien is dat precies wat het kind in ons nog altijd nodig heeft.
Lieve groet,
Mirjam
Reactie plaatsen
Reacties